Skutsjesilen 2017
• Skutsjesilen 2016 Info

Wat is Sk├╗tsjesilen

Een skûtsje (Fries voor 'schuitje') is een houten of stalen Friese tjalk gebouwd voor het vervoer van vracht in Friesland. Afhankelijk van het seizoen vervoerden ze mest, terpaarde, aardappelen en andere bulkgoederen. De schipper en zijn gezin woonden aan boord van het skûtsje. Deze zeilschepen werden vanaf de 18e eeuw gebouwd tot circa 1930. De lengte bedraagt 12 tot 20 m.
De breedte hangt samen met de afmetingen van bruggen en sluizen in het vaargebied en is gemiddeld 3,5 m, maximaal een meter of vier.

De scheepjes zijn gebouwd om te zeilen en waren oorspronkelijk dan ook niet voorzien van een motor. In de loop van de jaren twintig en jaren dertig werden veel skûtsjes voorzien van hulpmotoren, maar pas na de Tweede Wereldoorlog werden de zeilen vervangen door motoren. De skûtsjes verdwenen als vrachtschip van het water, toen de motor-binnenvaartschepen die vele honderden tonnen lading mee konden nemen, hun rol overnamen. Veel skûtsjes werden vervolgens omgebouwd tot woningen op het water of om wedstrijden mee te varen

De Bemanning
De 12 van een Skûtsje

2. Adviseur

De adviseur kijkt mee met de schipper, hij helpt mee met het bepalen van de strategieën. De adviseur zit naast de schipper, indien nodig neemt hij de leiderschapsrol en het roer over.

4. 2e Schotenman

De tweede schotenman dient met zijn kracht de eerste schotenman bij te staan. Samen vormen zij een eenheid en volgen zij de commando’s op. Ze trekken en vieren bij elke manoeuvre onvermoeibaar, loyaal, dienend.

6. BB (linker) Zwaard

Een skûtsje is een platbodem, dit betekent dat deze geen kiel heeft maar een ‘platte onderkant’. Hierbij zijn zwaarden essentieel bij het zeilen, ze zorgen ervoor dat de skûtsje rechtdoor zeilt in plaats van dat deze afbuigt. Ze geven het schip extra steun en helpen ze de skûtsje bij het draaien (met name overstag gaan). De zwaardmannen zorgen ervoor dat het zwaard aan de lijzijde (lage kant) naar beneden gaat en het zwaard aan de loefzijde (hoge kant) omhoog gaat. Hierbij werken ze nauw samen met de peiler.worden

8. Peiler

De peiler meet met een peilstok de diepte van het water, zodat het zwaard op zijn diepste punt, maar niet te diep, in het water komt. Aan de schaalverdeling kunnen zwaardenman en schipper zien hoe diep het is. Bij het vieren trapt de peiler het zwaard dieper in het water. Hoe dieper hoe beter, omdat het schip dan het meest gebruik kan maken van het zwaard. Wanneer het windstil is duwt de peiler het skûtsje stiekem vooruit.

10. 1ste Fokkenist

De fok is één van de zeilen van een zeilschip, de fok bevindt zich voor de mast. Men zeg weleens: ‘met de fok wordt het schip gestuurd’. Wordt de fok wat aangetrokken, dan valt het schip wat af, wordt deze gevierd dan loeft het schip op. Om de juiste koers te kunnen varen, wordt alle wind met de fok opgevangen. Dit zorgt ervoor dat het schip zich in een rechte lijn kan voortbewegen

12. Voorhouder, Uitkijk

Staat op het voordek en houdt alles nauwlettend in de gaten, hij zorgt ervoor dat als er ‘verkeer’ aankomt deze niet geraakt wordt. Ook helpt hij de fokkenisten indien nodig.